Belangrijkste trends in geboorte en bevalling

Jaarlijks publiceert het Studiecentrum Perinatale Epidemiologie (SPE) een jaarrapport met de meest belangrijke trends in geboorte en bevalling.

In de volledige rapporten wordt dieper ingegaan op de evolutie van de verschillende indicatoren in verband met pasgeborenen en kersverse moeders.

Auteurs: R. Devlieger, R. Goemaes, M. Laubach
vzw Studiecentrum voor Perinatale Epidemiologie (SPE)

 

Lees hier de opvallendste trends uit het jaarrapport 2019
1. Geboortecijfer in dalende lijn

In 2019 waren er 688 geboorten en 671 bevallingen minder dan in 2018. Dit is een daling van het aantal geboorten in Vlaanderen met 1,1 % ten opzichte van 2018. Het aantal verlossingen in 2019 daalde in de provincies Oost- en West-Vlaanderen, waar in 2018 een stijging werd vastgesteld. De provincies Antwerpen, Limburg en Vlaams-Brabant, die een dalend aantal verlossingen kenden in 2018, noteerden in 2019 een lichte stijging.

Het afgelopen decennium is er een duidelijke daling van het aantal geboorten in Vlaanderen. In 2019 werden 9,7 % minder kinderen geboren dan in 2010. Een dalende nataliteit draagt bij tot de vergrijzing van de bevolking.

2.Oudere moeders en minder tieners die moeder worden

Vlaamse moeders krijgen hun kinderen erg laat. De leeftijd waarop Vlaamse moeders hun eerste kind krijgen stijgt jaar na jaar. In 2019 was de gemiddelde leeftijd waarop een moeder haar eerste kind kreeg 29,3 jaar. In 2018 was dat nog 29,1 jaar en in 1987 zelfs 25,7 jaar.

Meer dan de helft van de moeders (55,8 %) is 30 jaar of ouder op het ogenblik van de bevalling. Ook het aantal 40-plussers is hoog en blijft stijgen: 1 vrouw op 30 (3,3 %) is 40 jaar of ouder op het moment van de bevalling, terwijl dit in 1991 0,8 % was.

In Vlaanderen is het aantal tienermoeders zeer laag. Eén op 97 vrouwen die moeder worden, is een tiener (N = 642), wat een daling is ten opzichte van de vorige jaren. Eén op 450 vrouwen is jonger dan 18 jaar (N = 138). Ook dit aantal is de afgelopen jaren afgenomen.

3. Veel medisch begeleide bevruchting

Bij  1 op dertien vrouwen (7,7 %) trad de zwangerschap op na een behandeling voor onvruchtbaarheid, terwijl dit in 2018 7,2 % was. Het percentage vrouwen dat zwanger wordt na een behandeling voor onvruchtbaarheid neemt toe naarmate de leeftijd van de moeder stijgt. Bij vrouwen tussen 25 en 29 jaar wordt 1 op 17 vrouwen (N= 1213) zwanger na een vruchtbaarheidsbehandeling, terwijl dit stijgt naar 1 op 9 vrouwen (N= 1089) in de leeftijdsgroep tussen 35 en 39 jaar. Vanaf 40 jaar wordt 1 op 5 vrouwen (N= 404) zwanger na een behandeling voor onvruchtbaarheid. Bij eerstbarende vrouwen van 40 jaar of ouder komt slechts de helft van de zwangerschappen (49,8 %) spontaan tot stand. Dit is een daling ten opzichte van  2018, waarin 54,9 % van de zwangerschappen bij deze groep vrouwen spontaan tot stand kwam.

4. Dalend aantal meerlingen na vruchtbaarheidsbehandeling

Terwijl fertiliteitsbehandelingen in het verleden in belangrijke mate verantwoordelijk waren voor het hoge aantal meerlingen, heeft zelfregulering binnen deze sector met betrekking tot het aantal terug te plaatsen embryo’s geleid tot een sterke verbetering van deze cijfers. In 2019 waren er 1,58 % tweelingen en 0,02 % drielingen, ten opzichte van 1,80 % en 0,03 % in 2000 respectievelijk. De bijdrage van IVF/ICSI in dit cijfer is in 2019 voor het eerst lager dan die van hormonale vruchtbaarheidsbehandelingen.

5. Laag aantal thuisbevallingen

In Vlaanderen werden in 2019 slechts 360 thuisbevallingen geregistreerd (0,6 %), dit is een daling met 5,3 % ten opzichte van het vorige registratiejaar. Terwijl alle Vlaamse ziekenhuizen alle bevallingen rapporteren bij het SPE, vermoeden we dat er een aantal thuisbevallingen door de individuele vroedvrouwen en vroedvrouwpraktijken die bevallingen buiten het ziekenhuis begeleiden niet worden gerapporteerd. Het is belangrijk dat registratie ook de maternale en neonatale uitkomsten op een volledige en systematische manier kan verzamelen in deze groep.

6. Aantal episiotomieën in dalende lijn

Het percentage episiotomie daalt jaar na jaar. Deze trend zet zich door in 2019. In 2001, het eerste jaar waarin episiotomie werd bevraagd, beviel 68,2 % met een knip. In 2019 is het percentage gedaald tot 38,5 %. Sinds 2003 bevallen er meer multipare vrouwen zonder dan met een knip en sinds 2010 geldt dit ook voor alle vrouwen die spontaan worden verlost.

7. Aantal kinderen met syndroom van Down blijft stabiel

In 2019 werden 28 kinderen geboren met het syndroom van Down (trisomie 21). In vergelijking met 2018, waarin opvallend minder kinderen met het syndroom van Down werden geboren, blijft het aantal kinderen met trisomie 21 in 2019 stabiel.

Meer info

VZW Studiecentrum voor Perinatale Epidemiologie (SPE) is een wetenschappelijke vereniging van gynaecologen, pediaters en vroedvrouwen. Het SPE wordt door Zorg en Gezondheid gesubsidieerd om de medische gegevens rond geboorte en bevalling in de Vlaamse materniteiten te registreren. Deze informatie vult het medische luik van de registratie via geboortecertificaten aan.

Wetenschappelijk onderzoek op basis van deze geboorteregistraties

Het SPE geeft aan de aangesloten gynaecologen, pediaters en vroedvrouwen de kans om wat ze in de praktijk ervaren via wetenschappelijke analyse van de geregistreerde obstetrische en neonatologische handelingen te toetsen aan de realiteit in alle Vlaamse ziekenhuizen. Dit resulteert dan vaak in publicaties in internationale wetenschappelijke tijdschriften. Zo verschenen er de afgelopen jaren studies op basis van SPE-data met volgende conclusies:

  • Uit een doctoraatsonderzoek naar risico’s van zwaarlijvigheid voor, tijdens en na een zwangerschap op moeder en kind en hoe de kraam- en medische zorg hierop moet inspelen, bleek dat men zich niet enkel moet richten op de medische oorzaken en gevolgen maar ook op de psychosociale context.
    Bogaerts A. (2014) Obesity and pregnancy, an epidemiological and intervention study from a psychosocial perspective (PhD summary). Facts, Views & Vision in Obstetrics & Gynaecology, 6(2): 81-95
    Open access: http://www.fvvo.be/archive/volume-6/number-2/facts/obesity-and-pregnancy-an-epidemiological-and-intervention-study-from-a-psychosocial-perspective/
  • Vrouwen die hun zwangerschapskilo’s niet kwijt raken hebben bij een volgende zwangerschap een verhoogd risico op perinatale complicaties, zelfs al hebben ze een normaal gewicht of zelfs ondergewicht. ‘Terug op gewicht komen’ tussen zwangerschappen lijkt belangrijk voor het verminderen van ongunstige perinatale uitkomsten in een tweede zwangerschap.
    Bogaerts A., Van den Bergh B. R. H., Ameye L., Witters I., Martens E., Timmerman D., Devlieger R. (2013) Interpregnancy Weight Change and Risk for Adverse Perinatal Outcome. Obstetrics & Gynecology, 122(5): 999-1009 DOI: 10.1097/AOG.0b013e3182a7f63e
  • Oorzaken van stuitligging bij geboorte zijn lage zwangerschapsduur, laag geboortegewicht, oudere moeders, baarmoeder met littekenweefsel, een baby-meisje, een baby met een aangeboren afwijking, en lage pariteit.
    Cammu, H., Dony, N., Martens, G. and Colman, R. (2014) Common determinants of breech presentation at birth in singletons: a population-based study. European Journal of Obstetrics & Gynecology and Reproductive Biology, 177: 106-109 DOI: 10.1016/j.ejogrb.2014.04.008
  • De opleidingsgraad van de moeder heeft invloed op de bevallingswijze en op post-neonatale sterfte, maar niet op neonatale sterfte.
    Cammu, H., Martens, G. and Keirse, M. J. N. C. (2011), Mothers’ Level of Education and Childbirth Interventions: A Population-based Study in Flanders, Northern Belgium. Birth, 38: 191–199. DOI: 10.1111/j.1523-536X.2011.00476.x
    Cammu H., Martens G., Van Maele G., Amy J. (2010) The higher the educational level of the first-time mother, the lower the fetal and post-neonatal but not the neonatal mortality in Belgium (Flanders). European Journal of Obstetrics & Gynecology and Reproductive Biology, 148: 13-16 DOI: 10.1016/j.ejogrb.2009.08.016
  • Kunstmatig ontstane zwangerschappen leiden vaker tot een bevalling via een keizersnede op vraag van de moeder.
    Gillet E., Martens E., Martens G., Cammu H. (2011) Prelabour Caesarean Section following IVF/ICSI in Older-Term Nulliparous Women: Too Precious to Push? Journal of Pregnancy Volume 2011, Article ID 362518, 5 pages. DOI: 10.1155/2011/362518
  • Er is geen verschil in risico op foeto-infantiele sterfte tussen Belgische moeders en immigrantenmoeders wanneer je ook rekening houdt met pariteit, leeftijd en opleidingsgraad van de moeder.
    Gillet E., Saerens B., Martens G., Cammu H. (2014) Fetal and infant health outcomes among immigrant mothers in Flanders, Belgium. International Journal of Gynecology & Obstetrics, Volume 124, Issue 2, February 2014, Pages 128-133. DOI: 10.1016/j.ijgo.2013.07.031